Het onvermijdelijke oordeel
Tijdens onze vakantierit merkte ik opnieuw hoe verleidelijk het is om alles wat voorbijtrekt meteen te voorzien van een oordeel. Het weer dat tegenzit, de hobbelige weg, de automobilist die nét te dicht langs scheert. Er is altijd wel iets dat commentaar oproept. Soms hoor ik mezelf al beginnen, soms blijft het bij een gedachte.
Deze zomer wilde ik het anders doen. Dingen laten voor wat ze zijn. Gewoon rijden, kijken, aanwezig zijn. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Ik herinner me een rit met een vriend in Frankrijk: elke inhaalactie, elk kruispunt, elke vrachtwagen die te traag optrok – het werd door hem voorzien van een harde veroordeling. Ik zag hoe zijn boosheid groeide bij iets zo banaals als een auto die ons passeerde. Terwijl ik, misschien uit vermoeidheid of misschien uit een klein beetje wijsheid, alleen maar dacht: die ander doet toch helemaal niets verkeerd?
Het verschil tussen ons in dat moment raakte me. Niet omdat ik zelf boven het oordelen sta – verre van – maar omdat ik zag hoe vermoeiend het kan zijn om elk detail van de wereld langs je meetlat te leggen.
Meningen als vangnet
Dat oordelen gebeurt natuurlijk niet alleen achter het stuur. Ook aan de keukentafel of in een gesprek met familie vliegen de stellingen ons om de oren. “In Nederland wordt er voor 11 miljard gefraudeerd in de zorg.” “Rundvlees is zo duur geworden omdat de veestapel moet krimpen.” Het zijn van die uitspraken die meer verraden over de spreker dan over de werkelijkheid.
Ik betrap mezelf erop dat ik er met een soort medelijden naar luister. Het is vaak een roep om houvast, om de complexiteit van de wereld klein en overzichtelijk te maken. Maar zulke stellingen brengen mensen zelden dichter bij elkaar. Ze sluiten juist af, kleuren meteen politiek, en laten weinig ruimte voor vragen of nuance.
Het doet me denken aan wat Franse filosoof Michel Serres beschreef: hoe we de wereld vaak reduceren tot schema’s en modellen die vooral onszelf geruststellen. Veel van onze oordelen doen precies dat, lijkt me – ze maken de werkelijkheid niet helderder, maar eenvoudiger, op een manier die onszelf kalmeert.
De kunst van het zwijgen
Toch merk ik dat ik me beter voel als ik mijn oordeel inslik. Hoe vaker ik mijn mond houd, hoe meer rust ik ervaar. Niet alles hoeft hardop gezegd te worden. En eerlijk: vaak wordt het er ook niet gezelliger op.
Natuurlijk, bij pertinente onzin voel ik me geroepen om iets te zeggen – soms uit irritatie, soms omdat ik hoop dat er nog ruimte is voor een ander perspectief. Maar meestal heeft zwijgen meer effect dan spreken. In de boeddhistische traditie noemen ze dat right speech: praat enkel wanneer het de stilte verbetert.
En misschien zit er ook iets in wat de andere Franse denker Levinas bedoelde met onze verantwoordelijkheid tegenover de ander: dat ik pas in de stilte werkelijk voel hoe ik de ander niet mag terugbrengen tot mijn eigen oordeel, maar ruimte moet laten voor wie hij of zij werkelijk is.
Oordelen is menselijk
We kunnen er niet aan ontsnappen. Elke waarneming draagt al een oordeel in zich. In de geest van Nietzsche zou je kunnen zeggen dat dit oordelen een teken van vitaliteit is: we scheppen waarden, we meten, we rangschikken – zo overleven we en geven we betekenis aan de wereld. Misschien is het dus niet de vraag of we kunnen ophouden met oordelen, maar of we ons eigen oordeel kunnen relativeren.
Wat mij deze vakantie hielp, was de gedachte dat het oordeel wel mag bestaan, maar dat het niet altijd een luidspreker hoeft te krijgen. Het kan ook gewoon zacht in je hoofd blijven hangen, als een voorbijgaande wolk.
En misschien ligt dáár de vrijheid: niet in het verdwijnen van het oordeel, maar in het vermogen om het niet altijd te hoeven delen.
Wie verder wil lezen over hoe filosofie ons helpt om dichter bij de ervaring zelf te blijven, kan mijn stuk over Soulanges en de fenomenologie bekijken.
