De schaamte voorbij

Nadat het westelijk halfrond 2017 tot het jaar van de schaamte heeft uitgeroepen ben ik er wel klaar mee. Voor het project Vereeuwigd, waar mensen met een levensbedreigende ziekte worden gefotografeerd, ben ik uit de kleren gegaan. Niet dat ik nou perse naakt op de plaat moest. Ik wilde vooral voorkomen dat je een zweverige foto zou krijgen waarop je iemand ziet die ondanks alle tegenslagen zo positief is gebleven. Zonder die rem op de werkelijkheid kan je pas zien wat ziekte met een lichaam doet. Een lichaam dat niet lang geleden nog met gillende sirenes naar de IC werd gebracht. Daar waar ongevraagd het nodige in en uit het lijf wordt getrokken is de schaamte voorbij.

Venice Beach

Vlak na de eerste chemo’s, nu zes jaar geleden, nam ik mezelf voor dat ik weer aan een prachtig lijf zou werken. En ik waande mezelf tussen de gespierde lijven op Venice Beach. Ik heb veel gesport om dat doel te bereiken. Maar het is er nooit van gekomen. Medicijnen hebben de verhoudingen behoorlijk overhoop gegooid: Een opgeblazen kop en buik, dunne pootjes, dood haar en joekels van wallen. Sergio Herman zou tegen me zeggen: “Kots je van jezelf? Ja? Dat is de bedoeling he!” Zeker, het is confronterend om zo’n foto van mezelf te zien. Nu weet ik waarom ik al jaren amper naar mezelf in de spiegel kijk. Die ziekte is echter geen zondeval. Ik heb geen zin om te blijven treuren over het verloren paradijs. Misschien kom ik op Venice beach niet zo goed voor de dag, maar in een Veluwse sauna val ik nog best mee.

Eer

Aan het begin van een nieuw jaar zijn er een heleboel mensen die net zo’n voornemen hebben als ik had. Stoppen met roken, afvallen, een killerbody! Is dat een besef van vergankelijkheid, of bang uitgesloten te worden door de groep waar ze bij willen horen? Waarom zouden ze zich schamen voor zwakheden? Ik heb geleerd dat je zwakheden juist zo kan uitventen dat het je kracht wordt. Goed voor jezelf zorgen kan toch ook betekenen dat je intens mag genieten van een sigaret, gekonfijte eend of een nachtje doortrekken in de kroeg? Hoeveel anderen ook beweren wat gezond is, dit leven duurt maar kort en hoe meer je geniet, hoe meer je leeft. Natuurlijk weet ik dat het weinigen gegeven is om zo’n levenskunst te ontwikkelen. Het zou al een beetje helpen je obsessie niet te voeden als je probeert ervan af te komen. En weet, je lichaam is geen object van schaamte, maar één van eer.

 

De foto is gemaakt door Ireen Photo’s, zij heeft zich belangeloos ingezet voor het project Vereeuwigd

Als toegift op de schaamte deel ik een dagboekfragment van mijn tweede chemoperiode in het VUmc

 

Make The World Go Away – Elvis Presley

Ondertussen hakte de chemo er nog dieper op in. Nadat ik heftige darmkrampen had, maakte ik kennis met het fenomeen stille buik. Daarom had ik helemaal geen zin om iets te eten. Ik zei tegen de catering dat ik in hongerstaking was, wat iedere keer zorgwekkende blikken opleverde en mij een binnenpretje. En toen ik weer iets van trek begon te krijgen waagde ik me aan een appel met als gevolg nog heviger buikpijn. Aan iedere vorm van pijn kon ik tot dan toe wel wennen, maar die verscheurende steken in mijn buik kon ik op dat moment lastig verdragen. Het enige voordeel was dat de verpleging nu door had dat ik maar beter alleen op een kamer kon liggen. Het gezeik van een kamergenoot was echt teveel geworden. Eerder mocht ik al één nacht op een achteraf kamertje liggen. Daar werd mijn cataclystische diarree het studieobject van de overenthousiaste Marouschka. Ze had die nacht niets beters te doen dan in mijn gitzwarte overschotten te peuren. “Het ruikt wel een beetje raar.” zei ze. Tijdens mijn onstuimige nachtleven ben ik zelden zo’n mooie vrouw als Marouschka tegengekomen. En zeker niet ééntje die graag mijn ontlasting wil bekijken. Je komt zulke exemplaren dan ook niet in de kroeg tegen, maar op afdeling 3b van het VUmc. Maar goed, ik deed dus alles om gezelschap te mijden. Nu wist ik dat ik zeker een paar dagen op mezelf kon blijven. Maar de pret was slechts van korte duur. Als er iemand is die zieker is dan jij, dan word je zo weer gedegradeerd naar een kamer met iemand anders. Chagrijnig keerde ik weer terug naar kamer 28, waar de stumper niet door leek te hebben dat ik een paar dagen was weggeweest. En daar kreeg ik na één nacht te horen dat ik een beginnende longontsteking had en naar de flowkamer moest. Zo werd er heel wat verhuisd op 3b.

Een flowkamer was wel het beste wat je kon krijgen. Echt een presidential suite met een eigen badkamer, zithoek en je hoefde geen TV te kijken met zo´n vervelende koptelefoon. De deur moest gesloten blijven vanwege het infectiegevaar en zo kon ik me zo optimaal mogelijk onttrekken van invloeden van buiten. Op mijn kunstmatig eiland van steriliteit lag ik erbij als een geslagen hond. Met een compleet kaal lichaam en op de been gehouden door chemicaliën werd dat een surrealistische wereld. In de nachten kon ik van de angst om in bed te plassen uren doorbrengen op het toilet. Daar zit ik dan buitenaards te zijn, zoals David Bowie in The Man Who Fell To Earth. De diarree en de kots liep er aan alle kanten uit. Mijn tapstok was de enige getuige in de ontsmette badkamer. Het waren lange momenten zonder het besef compleet lichaam en geest te zijn. Het lijf als een defect apparaat en mijn ziel die er geen doel of nut meer aan kan verbinden. Er was niets meer dat in mijn gedachten op kwam, geen vriend, geen creativiteit, geen hoop. Het leven werd niet meer ingevuld en kwam tot stilstand. Het niets nietigt, zegt Martin Heidegger. Als het aan de natuur had gelegen, dan was ik er al lang niet meer geweest. Nu werd de beschaving uitgevoerd en de wetenschap gediend. Overleven kon je het niet noemen, want waar ik me in bevond stond zover af van wat mijn natuur is, dat ik geen mens meer was.

Toen ik puber was kwam ik na school met buikpijn thuis van de opgehouden winden. Op Franse campings zat ik tientallen minuten verkrampt op de pot om anderen die er lustig op los ruften het idee te geven dat ik er net zo’n stinkboel van zou maken. Al die schaamte toen, was nu volkomen zinloos. En het gebeurde dat ik totaal van de kaart werd verschoond zonder dat ik er erg in had. Een luier went niet gauw als je nog maar 35 bent. Daar heb ik me maar aan overgegeven, omdat Roos schoon ondergoed niet meer kon aanslepen.

Toen mijn toestand langzaam beter werd was het niet gek dat ik weg wilde uit het ziekenhuis. De waarden van mijn bloed bereikten het niveau waarop het verantwoord leek om me te laten gaan. Maar mijn geduld overstemde mijn gezond verstand. Kon ik in die waardeloze toestand nog weten wat goed voor me was? Het was voor mij gedaan toen ik hoorde dat de stumper van 28 in de kamer naast mij aan een longontsteking is gestorven. Die verlossing staat mij nog te wachten – ooit – maar hoe langer ik in het ziekenhuis zou blijven hoe sneller het er van zou komen. Hier had ik niets meer te zoeken en de dokter liet me gaan.