IJdelheid

Wie zo één met de bank is als ik denkt niet na over hoe hij eruit ziet. En toch doet het ertoe. Zelfs op mijn beroerdste dagen sleep ik me als een ware metroman door het ochtendritueel heen om netjes aangekleed, met zachte crèmes besmeerd en besprenkeld door kruidige geuren indruk te maken. Ja op wie eigenlijk? Er is niemand waar ik een indruk op kan maken, want behalve mijn moeder en Roos zijn er weinig mensen die me zien. Het leven van de carrièrepatiënt is eenzaam en verre van ijdel.

Makkelijke kleren

Ondanks de goedbedoelde adviezen van “draag gewoon lekker makkelijke kleren”, heb ik moeite met de joggingbroeken en hoodies die staan voor de prototype chronisch patiënt. Ik draag ze meestal als ik niet in staat ben door het ochtendritueel heen te komen. En dan bevestigt het mij nog eens dat die makkelijke kleren mij met een dekentje op de bank verstoppen. Het zegt niet “kijk mij eens fijn aanwezig zijn” maar “val mij niet lastig, ik ben druk met verpieteren.” En daarom gruwel ik van die makkelijke kleren.

Das

IJdelheid draait voor mij niet om uiterlijk vertoon, maar de definitie van wie je bent. Om indruk te maken sta je niet als een paspop minutenlang voor de spiegel je onzekerheid te voeden, maar straal je uit wie je wil zijn. Dat mogen verre van gemakkelijk zittende kleren zijn. De das is voor mij een symbool geworden van wie ik wil zijn. Net als jazzmusici de das dragen als een verzet tegen de gevestigde orde, zo keert mijn das zich tegen mijn zieke gestalte. Stel je George Peppard voor die een rol van schrijver vertolkt in de klassieke komedie Breakfast At Tiffany’s. Een los gestrikte das op een gestreken shirt van Brooks Brothers en een slonzig wollen vest. Ook al is er niemand die me ziet, dan ben ik gelukkig met wie ik ben.

George Peppard

Pronkvogel

Omdat mijn ziekenhuis toch op de Zuidas zit, dacht ik eens dat het me beter zou laten lijken om in kostuum naar mijn hematoloog te gaan. Mijn specialist Otto droeg zelf nooit een witte jas en leek zowaar een mens. Maar het maakte voor hem geen donder uit of ik een pak droeg of een kloffie. Voor dokters ben ik een patiënt en die zien er ziek uit. Mijn pakken zijn nu een paradijs voor motten. Ze waren op maat gemaakt van het dunste wol voordat ik door ziekte en medicijngebruik een amorf wezen werd. Dan schiet die buik naar voren, slinken mijn billen of krijgt mijn gezicht de uitstraling van een volle maan. Tot ik een ziekenhuisklant werd vonden de dames mij goed opgedroogd, nu is verder opdrogen niet te stoppen. Het is onbegonnen werk om de kleren telkens te laten verstellen. Van een huismus valt gewoon geen pronkvogel te maken. IJdelheid is een zonde. Niets zo vermoeiend als trots. Maar mag het voor mij een deugd zijn?

Vond je mijn verhaal over ijdelheid interessant? Lees dan ook My killerbody , De schaamte voorbij of Tutten, tutten, tutten

Breakfast at Tiffany’s is nu op Netflix te zien