Een koude dag

Nu ik buiten ben besef ik pas hoe warm het op de afdeling was. Die paar patiënten die er lagen voelden de koude grond waar ze in zouden komen liggen. Daarom moest die kachel zo hoog. Dat begrijp ik best. Zo sloom dat ik erdoor werd had het me kunnen helpen om wat te slapen, maar door het constante gepiep van apparaten en zijn koortsdromen kwam er van rust helemaal niets terecht. Blij dat ik eindelijk uit dat verdomde ziekenhuis ben. Nu ik naar het station toe loop snijdt de koude lucht mijn ogen waterig. De hele week stikt het hier van de gesjeesde figuren, maar vandaag is alles gesloten en is er niemand op straat. Dit onstuimige weer hoort bij de betonnen kolossen waar ik langs loop. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo’n desolate omgeving kon waarderen.

Op het perron is er geen mens die uitstapt. De treinen stoppen wel en rijden na een paar tellen leeg weer door. Ik voel met hen mee zoals ik ook kan meevoelen met stuntelende robots. Dat is tenminste nog iets van genegenheid, want zodra mijn beste vriendin Julia belt neem ik koel de telefoon op.

‘Weet je zeker dat je juist nu weg wilt?’

‘Ja dit moet ik even doen. Die afspraak is al weken geleden gemaakt. Alles staat klaar.’

‘Ik begrijp niet waarom, je moet nu echt aan jezelf denken.’

Wat bedoelt ze met aan mezelf denken? Op de bank zitten en niets doen? Op de afdeling heb ik lang genoeg niets gedaan behalve dan zijn hand vasthouden.

‘Als ik nu afzeg dan loopt die hele uitzending mis. Denk nou niet dat ik dat voor hen doe, dit is juist een investering in mezelf. Er kan veel meer werk uitkomen.’

Julia zucht diep. ‘Jij weet het best wat goed voor je is, toch? Maar ik wil er graag voor jou zijn. Juist nu. Ik bedoel, kom op!’

Ze is zo lief, maar ik heb geen zin om dat te zeggen en ik laat het bij een droog ‘dankjewel’ en hang op.

In de trein zitten zowaar mensen. Het is verleidelijk om ze te beoordelen op hoe ze hun haar dragen, wat hij altijd als beroepsdeformatie betitelde, maar nu staar ik liever uit het raam. Na alles wat ik op de afdeling heb meegemaakt wil ik het moment waarop ik weer onderdeel van de voortdenderende wereld word uitstellen. Nog tien minuten tot het Mediapark, daar zal ik er binnen de kortste keren vast wel weer ingezogen worden. Buiten zie ik vogels en auto’s waarvan ik de naam niet weet . Als hij erbij zou zijn, dan zou hij gepassioneerd praten over geel gerande roodbeksnavelaars en Peugeots uit zijn geboortejaar. Het zijn dingen die me totaal niet boeien, maar onbewust heb ik toch veel van hem opgestoken. Dat juist hij zo ziek moest worden kan ik nog niet bevatten. Hij was springlevend en alles wat hij deed ging goed.

Bij de portier van het park vertel ik dat ik kom voor de zondagmiddagshow van Mario van der Zee.

‘Prima’ zei die vrolijkerd ‘dan moet je in studio 5 wezen. Ken je de weg?’

Ik heb werkelijk geen idee, maar ik mompel dat het wel goed komt. Mijn benen voelen zwaar en het lijkt alsof ik niet vooruit kom. Het liefst zou ik nu verdwalen, want ook al moet ik gewoon meedoen met die show, ik heb er totaal geen zin in. Dan gaat het maar mis. Als het aan mij ligt ga ik straks toch een potje janken. Ze zullen moeten raden waardoor dat gekomen is.

Shit! Studio 5 staat gewoon aangegeven. Ik ben er al. Nou, vooruit, even diep ademhalen, flink zijn. De schuifdeuren gaan open en direct stuift er een medewerkster van de productie op me af. Wat ze daarna rept kan ik niet meer volgen, want ik moet heel nodig en ren naar de plee. De deur draai ik op slot en controleer met de klink of hij ook echt dicht zit. Laat me alsjeblieft nog heel even in het oog van de storm zitten. Met mijn blote kont plof ik op de pot en ik voel mijn ademhaling hoog onder mijn borst tekeergaan. Deze plee is met zijn fel witte licht en gladde muren niet veel beter dan die op zijn kamer. Hoe vaak heeft hij die van dichtbij gezien? En hoe vaak heb ik erbij gezeten? We waren nog maar net gewend aan elkaars scheten in bed toen ik zijn voorraad boxershorts weggevreten zag worden door de fluorescerende diarree. Dat we hem maar een luier aantrokken onderging hij zonder gêne. Ik kan er niet niet aan denken. Er komt geen plas alleen maar tranen. Stille tranen om te voorkomen dat ze buiten iets merken van mijn verdriet. Voor mijn gevoel zit ik er nog maar net wanneer iemand op de deur klopt.

‘Gaat het?’

Die trien van productie heeft geen geduld. Met de klink naar beneden krijg ik de deur niet open. O ja, ik heb mezelf opgesloten.

‘Gaat het?’ Vraagt ze nog een keer, maar deze keer zie ik een gezicht dat afvraagt wat ik in mijn neus hebt gestopt.

‘Jawel, ik heb alleen een slechte nacht gehad.’

Ze vliegt verder en ik volg op afstand. In mijn kleedkamer duik ik op de bank terwijl ze praat ze over de broodjes op de schaal. Ga alsjeblieft weg, die broodjes interesseren me niet. Ik kijk haar weg en sta weer op van de bank. De deur is dicht, maar hij kan niet op slot. En dan bemerk ik ineens een stilte die ik wekenlang gemist heb, maar nu ik hier zit kan ik er niet aan wennen. Alles komt nu keihard binnen. Hoe ik hem na jaren weer ontmoette en hoe hij helemaal geen relatie met mij wilde. Vlak na de diagnose deed hij nog een poging om van me af te komen. ‘Ga alsjeblieft je geluk bij iemand anders zoeken’ zei hij kil. Kan ik echt gelukkig zonder hem zijn? Nee, ik weet het zeker. Zonder hem is gelukkig leven niet voor te stellen.

Ik staar wat voor me uit en negeer de klop op de deur tot Mario me met veel theater van de stilte verlost. ‘Haai schat, hoe is het?’

Die vraag pareer ik met een innige omhelzing. Hij is dan wel niet mijn vriendje, maar zijn lichaam is schoon en ruikt naar strandzand in de brandende zon. Ik weet ook niet hoe ik daar op kom. Een goed parfum roept dat nou eenmaal op. ‘Wat ruik je lekker!’

Het is Sables van Annick Goutal en ik glij vanzelf in een gesprek over oppervlakkigheden. Als het moet gaan over het weer, de nieuwste mode of de laatste roddels dan ga ik op de automatische piloot. Dit is mijn grootste talent. Knippen valt gewoon te leren, maar met iedereen praten die in mijn stoel komt is de ware opgave. Mario kletst net zo makkelijk van zich af als ik. Dat is geloof ik de enige overeenkomst die we hebben, verder doen we alleen maar alsof.

De zondagmiddagshow wordt live uitgezonden. Dat is gewaagd, want Mario heeft er een handje van om met zijn nichterige manieren de boel altijd te ontregelen. Dat is geloof ik ook de formule. De TV chef, de volkszanger, de schrijver en ik kunnen rekenen op chaos. Dus als ik maar wat meebeweeg, dan komt het wel goed. Ik weet precies wat er van me verwacht wordt. De laatste trends benoemen en in een paar minuten verander ik de look van zomaar iemand. Die haalt Mario met veel gedoe uit het publiek. Bij een jonge vrouw zet ik een vlecht en weef er een paar parels in. Een andere vrouw pik ik eruit omdat ze haar haar op één lengte draagt. ‘Het bobkapsel zal nooit uit raken, maar niet meer zo gelaagd. We gaan gewoon weer back-to-basic’ vertel ik. Iedereen slikt het voor zoete koek en Mario schreeuwt dat hij zijn carrière heeft te danken aan zijn kapsel. Voor die coupe a la Tom Ford rekende ik een half tarief. Veel eer valt er aan kalende mannen niet te halen.

‘Onzekerheid vult je portemonnee’ zou hij nu tegen me zeggen. Als het aan hem lag had ik nu een eigen lijn met haarproducten. ‘Het geld zal geheid binnenstromen.’ Geld ja, wat heb je eraan?

De show eindigt met een voedselgevecht in een regen van confetti. De hele studio buldert. Een beter moment om er tussenuit te knijpen is er niet. Iedereen zal me voor gek verklaren dat ik juist vandaag meedeed met die TV show, maar ik wist gewoon niet hoe ik verder moest en wilde niet dat mijn leven stil zou staan. Terwijl ik naar het station toe slenter voel ik alles om mij heen weer in de versnelling gaan. Alsof een plotselinge regenbui iedereen in beweging zet. Regenen doet het niet. Het is alleen hazengrauw en kil. Gelukkig maar.

In de trein zink ik in de allereerste vrije stoel. Ik heb geen idee of het druk is of niet, want mijn ogen zijn gesloten. Met wat zuchten komt er geen ontspanning. De gedachten aan hem worden niet minder. Dat ene moment dat we elkaar weer zagen. Hij draaide oude singles op een pick-up in de kroeg. Door de speakers werd vooral de kraak versterkt. Maar wat hinderde het, we waren dronken. Of die keer niet zo lang geleden dat we gingen hardlopen in het bos. Hij was niet bij te houden. Pas nadat ik de ronde had afgemaakt zag ik hem zitten op een bankje. Bleek dat hij de route had afgesneden. Volgens mij was hij toen al doodziek. O bah, ik wil het allemaal vergeten. Muziek dan maar. Met mijn ogen op een kier rommel ik wat in mijn tas op zoek naar oordopjes. Roxy Music is wat ik nodig heb. For Your Pleasure is zo een maffe plaat. Van het openingsnummer Do The Strand met pompende drums en een scheurende saxofoon kikker ik meteen op. Hier kan ik zo lekker gek op dansen. Daarna wordt het twee songs dromerig, maar nooit psychedelisch. Dat kan ook niet met zo’n gelikte zanger als Bryan Ferry. O die man heeft een coupe waar Tom Ford alleen maar over kan dromen. Tijdens Editions Of You merk ik dat ik zomaar zit mee te deinsen. Wat een beat  en dan dat freaky orgeltje! Maar het absolute hoogtepunt is In Every Dream Home A Heartache. Bryan Ferry zingt over zijn liefde voor een oblaaspop: ‘I blew up your body, but you blew my mind’. Bij de climax waar Ferry het uitschreeuwt ‘All those heartache’s…’ rollen de tranen over mijn wang. Deze muziek zegt precies wat ik niet onder woorden kan brengen. Ook al was hij geen opblaaspop, met dank aan de morfine en de hopen vocht in zijn lijf had hij er veel van weg.

De mensen die met me uitstappen gaan hun eigen weg. Ik zie dat sommigen worden opgehaald door familie of hun geliefde. Zij wel. Niet dat ik zo’n behoefte heb aan gezellig bijpraten of een potje thuis-kom-seks. Ik voel me moegestreden en heb het idee dat dit nooit meer overgaat. De straatlantaarns zijn getuige van mijn geschuifel. Ze branden om de mensen een veilig gevoel te bezorgen. Tja, als er nou nog iets is waar ik bang voor ben, dan is het niet de donkere straat, maar de dag van morgen. Opeens hoor ik iemand roepen ‘Zo wat zie jij er chagrijnig uit!’

In een flits zie ik een groepje van vier of vijf jongens die de coffeeshop uitkomen. Hebben ze het nou tegen mij? Ze lachen allemaal. Dat is teveel en ik stamp op één van hen af. Met mijn hoofd tegen de zijne voel ik het bloed tegen mijn slapen aankloppen. ‘Wat had je nou? Mijn vriend is vanmorgen gestorven aan de kanker ja!’

Hij stapt meteen naar achteren en ik ren heel hard weg. Ze roepen nog wat, maar ik hoor niet wat ze zeggen. Wat was er gebeurd dat ik zo plots barst van de energie? Mijn hart klopt in mijn keel en ik speer regelrecht naar zijn appartement. Dit was helemaal niet de bedoeling. Ik wilde het nieuws zo lang mogelijk uitstellen, omdat ik nog helemaal niets snap van deze ommekeer. Hij kan niet dood zijn. Het kan gewoon niet. Dat voel ik terwijl ik de trap op ga. Straks loopt hij me tegemoet. Hij moet hier zijn. Nu ik beverig de sleutel in het slot steek hoop ik diep dat hij voor me zal staan, maar zodra ik binnenkom word ik gegrepen door een scherpe geur die me doet kokhalzen. Op zijn fruitschaal staan de haren. De rotting is zo vergevorderd dat je de appels en bananen haast niet meer herkent. O getver. Natuurlijk houdt alles op, maar waarom moet het zo stinken?

De schaal pak ik vast met een krant en ik zet hem op het balkon. Om me te bevrijden van de stank zet ik even de ramen tegen elkaar open. De winter komt naar binnen. Uit zijn kledingkast pak ik de bovenste trui en trek hem aan. Ik herken The Voice of Reason van Lush. Hij hield van kruidige geuren alsof het altijd kerstmis moest zijn. Nu wil ik wel toegeven aan mijn slaapgebrek. Mijn gympies trap ik uit en kruip met kleren en al onder de lakens. Het zou me warmer moeten maken, maar zonder hem blijft het koud.

 

 

Dit was mijn eerste korte verhaal. Meer persoonlijke verhalen lees je in mijn blog